Column Jeffrey - Wet van behoud van energie

Uitgelicht op: 04-12-2017 om 14:21 in: Deelnemers

In de derde klas van de middelbare school was ik er al van overtuigd dat ik Werktuigbouwkunde wilde studeren en later in deze branche zou komen te werken. Wanneer mensen me dan vroegen wat ik later precies wilde worden, wist ik hier echter geen antwoord op te geven. “Iets met auto’s of zo”, was dan vaak mijn antwoord, terwijl ik er zeker van was dat Werktuigbouwkunde de studie was die het beste bij mij paste. Pas tijdens het afstuderen kwam ik erachter wat de reden was van dit vage antwoord: wist ik wel zo zeker dat Werktuigbouwkunde voor mij de juiste studie was? Ja, dat was het zeker, maar dat betekent niet dat je automatisch in deze branche gaat werken. En dat is gebleken.

Nu, anderhalf jaar na mijn afstuderen, sta ik vier dagen in de week voor de klas en ben ik me aan het oriënteren op de mogelijkheden om onderwijs en bedrijfsleven met elkaar te combineren. Binnen de faculteit Werktuigbouwkunde is het, helaas, niet gebruikelijk om de stap te maken naar het onderwijs. Zo ongebruikelijk zelfs, dat ik pas met mijn diploma in de hand tegen mijn hoogleraar durfde te zeggen dat ik docent zou worden.

Zodra ik deze keuze ‘openbaarde’, kreeg ik uit allerlei hoeken tips en waarschuwingen als “zorg ervoor dat je ze niet over je heen laat lopen” en “wees consequent”. Erg attent natuurlijk, maar met dertig leerlingen voor je neus zijn deze tips onbruikbaar. Natuurlijk weet je dát je consequent moet zijn en dát je moet laten merken dat jij de baas bent, maar daar heb je niets aan, als je niet weet hóe dat moet. En juist dat leer je pas door het te ervaren, bijvoorbeeld door als beginnend docent zonder enige onderwijservaring, les te geven aan de twee moeilijkste havo-2-klassen van de school.

In het begin van het schooljaar leek dit prima te gaan. Oké, er zitten wat drukke leerlingen in de klas, maar over het algemeen lopen de lessen wel prima. Bij het nabespreken van één van deze lessen waarschuwde mijn begeleider me er voor dat ik ze wel strak moest houden, anders zouden ze in de loop van het jaar de regie wel eens over kunnen nemen. Helaas was dit ook zo’n waarschuwing waar je pas iets aan hebt als je dit zelf hebt ervaren. Gelukkig kwam deze ervaring er, want na de herfstvakantie gingen de lessen wat minder prima. Er werden vliegtuigjes en pennen door de klas gegooid wanneer ik even practicumspullen was halen en er werd vooral veel door de uitleg heen gepraat. Dit resulteerde in veel groene kaarten (het verwijderen van leerlingen) en lessen die ontzettend veel energie kostten. Gelukkig kan ik vrij goed relativeren, waardoor ik aan het eind van de dag ook terug kon kijken op de lessen die wél goed gingen.

In de laatste weken van havo 2 in het vorige schooljaar hebben we gewerkt aan het hoofdstuk ‘licht’. Na één van deze lessen bleef een aantal leerlingen nog even in het lokaal, nadat de bel was gegaan. Eén van deze leerlingen was tijdens de vorige les ziek naar huis gegaan en kwam me vertellen dat het, na een bezoekje aan de huisarts, inmiddels weer wat beter met hem ging. Een andere jongen vertelde dat hij de les erg interessant vond. Hij vroeg of hij misschien zijn laserlampje van thuis mee naar school mocht nemen, zodat ik daar in de volgende les een demonstratie mee kon geven. “Dat werkt toch ongeveer hetzelfde als een lichtkastje, meneer?”

Op dat moment wilde ik deze leerlingen graag uitleggen dat de wet van behoud van energie altijd van toepassing is, zelfs op het lesgeven aan de moeilijkste havo-2-klassen van de school. Dit heb ik echter niet gedaan. Niet omdat deze stof pas in klas 3 aan bod komt, maar omdat ik bijna durf te beweren dat ik als docent meer energie krijg dan dat ik geef.