Trainees voor de klas: hoe doen ze het eigenlijk?

Uitgelicht op: 01-07-2018 om 10:34 in: Nieuws

De afgelopen periode hebben Rikkert van der Lans en Michelle Helms-Lorenz van de Rijksuniversiteit Groningen onderzocht wat het traineeship Eerst De Klas (EDK) tot nu toe heeft betekend voor het onderwijs. EDK is opgezet met twee doelen voor ogen. Enerzijds wil het het lerarentekort bestrijden door academici voor het leraarschap te interesseren. Anderzijds wil het met meer academici voor de klas een kwaliteitsimpuls aan het onderwijs geven. Om te onderzoeken of deze intenties ook bewerkstelligd worden, zijn in de schooljaren van 2013/2014, 2014/2015 en 2015/2016 lesobservaties van trainees verzameld. Op basis van deze gegevens is nu een eerste onderzoek uitgevoerd. Twee vragen stonden centraal in dit onderzoek. 1) Hoe is het gesteld met de lesgevende vaardigheden van EDK-trainees in vergelijking met eerstegraads bevoegde docenten die een reguliere opleiding hebben genoten? 2) Blijven docenten na afronding van Eerst De Klas lesgeven?

Dit onderzoek richtte zich op een vergelijking tussen regulier afgestudeerde eerstegraads docenten en EDK-trainees. Een helemaal eerlijke vergelijking is niet te maken. Een EDK-trainee start als volwaardig docent, maar is niet bevoegd en heeft ook geen/weinig ervaring. Een eerstegraads docent start als volwaardig docent, maar is bevoegd en heeft reeds (stage-)ervaring. Daarom zijn twee vergelijkingen gemaakt: 1) een vergelijking tussen 53 eerstejaars trainees en 53 eerstejaars eerstegraads docenten van hetzelfde geslacht en die lesgaven in hetzelfde schoolvak en 2) een vergelijking tussen tweedejaars trainees en eerstejaars eerstegraads docenten van hetzelfde geslacht en die lesgaven in hetzelfde schoolvak. De gedachte hierachter is dat de nominale EDK’er na het eerste jaar een lesbevoegdheid heeft gehaald. Tweedejaars EDK’ers zijn dus merendeels eerstejaars eerstegraads bevoegd.

Samengevat scoren de eerstejaars EDK’ers lager dan de eerstejaars eerstegraads docenten, op alle domeinen van pedagogisch-didactisch handelen. Dit was verwacht, aangezien deze EDK’ers nog in opleiding zijn en minder ervaring hebben. De grootste verschillen bevinden zich bij de vaardigheden rondom het geven van lesinstructies en het differentiëren. Deze verschillen zijn echter niet significant. Na één jaar, wanneer de meeste trainees hun bevoegdheid hebben behaald, zijn de pedagogische en didactische vaardigheden gelijkwaardig of mogelijk zelfs beter dan regulier afgestudeerde eerstegraads leraren. Hoewel het verschil wederom niet significant is, scoren de EDK’ers op vijf van de zes domeinen hoger dan eerstejaars eerstegraads docenten. Vooral bij de vaardigheden rondom het aanleren van leerstrategieën scoren EDK’ers hoger. Het domein van differentiëren lijken EDK’ers het moeilijkst te vinden: ook de tweedejaars trainees scoren gemiddeld lager op dit domein dan regulier opgeleide docenten. Ander internationaal onderzoek rapporteert ook dat trainees het differentiëren relatief moeilijk vinden en vooral vaker een meer klassikale stijl van lesgeven hanteren. Het is dus relevant om de invulling van het traineeship op dit punt nader te bekijken. Positief is dat 20% van de tweedejaars trainees als bijzonder vaardig is beoordeeld (d.w.z. ze scoren op minimaal 30 van de 32 gescoorde handelingen voldoende of goed). In vergelijking, grofweg 10% van de reguliere eerstejaars eerstegraads leraren wordt op dit niveau beoordeeld.  

Om de tweede vraag te beantwoorden is nagegaan wie het traineeship succesvol afrond. Na twee jaar is 11.3% van de trainees gestopt. In vergelijking met internationale studies naar traineeships is dat percentage laag. Voor het eveneens tweejarige TfA traineeship worden bijvoorbeeld drie-tot viermaal hogere uitvalpercentages genoemd. Dit verschil kan mogelijk worden verklaard door de manier waarop TfA trainees op scholen worden geplaatst. Anders dan EDK trainees mogen TfA trainees niet vrij solliciteren naar een werkplek, maar moeten ze werken op een “probleemschool”. Dit is zwaarder en ook anders dan werken op een willekeurige andere school. Een vergelijking met de uitval van reguliere eerstegraads docenten die eveneens vrij kunnen solliciteren is daarom ook relevant. Een eerdere studie rapporteert dat 6.3% van de gestarte eerstegraads docenten stopt met lesgeven na drie jaar. Wanneer de uitval tijdens de eenjarige universitaire lerarenopleiding (ULO) wordt meegewogen in deze 6.3%, dan is het uitvalpercentage grofweg 28.9% na drie jaar plus een opleidings-/stagejaar (= vier jaar). Dat percentage is aanzienlijk hoger dan de 11.3%, maar bestrijkt ook een tweemaal langere periode.

Momenteel worden de laatste gegevens verzameld voor het tweede cohort. In de volgende onderzoeken willen de onderzoekers beter gaan kijken naar de ontwikkeling van trainees over de schooljaren. Ook willen ze meer aandacht besteden aan de begeleiding van de trainees en andere faciliterende of belemmerende omstandigheden op school. Tenminste één factor hierin is de zogenaamde opleidingsscholen–scholen voortgezet onderwijs die gesubsidieerd worden om leraren samen met lerarenopleidingen op te leiden. Omdat trainees zelf solliciteren naar een werkplek zullen ze niet allemaal op een opleidingsschool werken. Hierdoor wordt variatie verwacht in de begeleiding die vanuit de scholen geboden wordt aan de trainees.


Bovenstaand stuk is geschreven door onderzoekers Rikkert van der Lans en Michelle Helms-Lorenz van de Rijksuniversiteit Groningen.

In Didactief verscheen ook een artikel over dit onderzoek. Het artikel lees je hier.